Interne en externe rotatie en de belasting van heup, bekken en knie
Een goede carving manoeuvre ziet er bijna moeiteloos uit. De windsurfer zet het board op de rail, buigt knieën en heupen, verplaatst het lichaamszwaartepunt naar de binnenzijde van de bocht en laat board, tuig en lichaam gezamenlijk door de bocht accelereren.
Maar biomechanisch gebeurt er veel meer.
Tijdens een krachtige bottom turn in de branding, een agressieve carve bij freestyle of een snelle slalomgybe moeten de onderste extremiteiten tegelijkertijd kracht produceren, druk op het board doseren én rotatie opvangen. De voeten vormen daarbij de verbinding met een board dat van richting verandert, terwijl bekken en romp niet noodzakelijk in exact dezelfde richting bewegen.
Daardoor ontstaat een interessante biomechanische keten:
board → voet → tibia → knie → femur → heup → bekken → romp
Centraal in die keten staat de heup.
De heup moet tijdens een carve niet alleen flexie en extensie toelaten, maar ook interne en externe rotatie, abductie en adductie controleren. Wanneer die rotatie onvoldoende beschikbaar is, slecht wordt gedoseerd of door de voetbanden mechanisch wordt beperkt, kan een deel van de noodzakelijke beweging mogelijk worden verplaatst naar knie, bekken of lumbale wervelkolom.
Voor wave-, freestyle- en slalomwindsurfers is heuprotatie daarom veel meer dan een kwestie van mobiliteit.
Het is onderdeel van de manier waarop rotatiekrachten door het lichaam worden verdeeld.
⸻
1. Carven is een driedimensionale beweging
Een carving manoeuvre wordt vaak uitgelegd alsof de windsurfer eenvoudigweg “door de knieën gaat” en druk op de rail geeft.
Anatomisch is dat te simpel.
Tijdens een carve vinden bewegingen plaats in drie vlakken:
* sagittaal: heup- en knieflexie;
* frontaal: abductie/adductie en laterale verplaatsing;
* transversaal: interne en externe rotatie van heup, femur, tibia, bekken en romp.
Vooral dat laatste vlak wordt gemakkelijk onderschat.
Zodra het board van richting verandert terwijl de voeten contact houden met het board, ontstaat een rotatievraag door vrijwel de gehele kinetische keten.
De knie is hiervoor relatief slecht ontworpen. De heup daarentegen is een kogelgewricht en beschikt over een aanzienlijk grotere capaciteit om driedimensionale bewegingen te accommoderen.
Een efficiënte carve vraagt daarom niet alleen sterke quadriceps of goede boarddruk, maar ook voldoende rotatiecapaciteit van de heup en neuromusculaire controle van femur en bekken.
⸻
2. Wat bedoelen we met interne en externe heuprotatie?
Bij interne rotatie draait het femur ten opzichte van het bekken naar binnen. Bij externe rotatie gebeurt het tegenovergestelde.
Maar tijdens windsurfen staat het been meestal in een gesloten kinetische keten: de voet heeft contact met het board of zit gedeeltelijk gefixeerd in een voetband.
Dan kan dezelfde relatieve beweging ook ontstaan doordat het bekken over het gefixeerde femur roteert.
Dat onderscheid is belangrijk.
Een windsurfer kan dus aanzienlijke rotatie in het heupgewricht creëren zonder dat je van buitenaf een spectaculaire rotatie van het bovenbeen ziet.
Bij een diepe carve wordt de situatie nog complexer omdat rotatie wordt gecombineerd met:
heupflexie + abductie/adductie + bekkenrotatie + romprotatie.
De functionele positie van de heup tijdens windsurfen is daarmee fundamenteel anders dan tijdens een geïsoleerde heuprotatietest op een behandelbank.
⸻
3. De voetband verandert de biomechanica
Bij een hard carve zonder voetband kan de voet enigszins op het board verschuiven of draaien.
In een voetband is dat veel minder mogelijk.
Dat is functioneel aantrekkelijk. De surfer krijgt een sterke mechanische koppeling met het board en kan veel nauwkeuriger kracht overbrengen.
Maar dezelfde koppeling heeft een biomechanische keerzijde.
Wanneer het board roteert en de voet die rotatie niet volledig kan volgen, moet de beweging ergens anders worden opgenomen.
Dat kan plaatsvinden via:
enkel → tibia → knie → femur → heup → bekken.
Daarmee ontstaat een belangrijk principe:
Hoe sterker de distale fixatie van de voet, hoe belangrijker de proximale capaciteit wordt om rotatie gecontroleerd te absorberen.
Dat betekent niet dat een voetband automatisch gevaarlijk is. Integendeel: zonder voetbanden zijn veel high-performance manoeuvres onmogelijk.
Maar voetbandpositie, voetoriëntatie, strapbreedte, stance en individuele anatomie kunnen waarschijnlijk mede bepalen hoe rotatiekrachten over de onderste extremiteit worden verdeeld.
Voor windsurfen is dit biomechanisch zeer plausibel, maar direct onderzoek naar de resulterende heup- en kniemomenten ontbreekt nog.
⸻
4. Waarom de heup de knie kan beïnvloeden
De knie bevindt zich letterlijk tussen twee grote mechanische systemen.
Van distaal komen krachten vanuit board, voet en onderbeen.
Van proximaal wordt de positie van het femur beïnvloed door heup en bekken.
Daarom kan wat in de heup gebeurt rechtstreeks invloed hebben op de oriëntatie van de knie.
Onderzoek naar cutting manoeuvres in andere sporten laat zien dat heuprotatie, voetoriëntatie, bekkenpositie en romppositie samenhangen met relevante kniemomenten.
Bij 90° cutting bleek bijvoorbeeld heupinterne rotatie een voorspeller van het piekmoment rond de knie. Andere onderzoeken laten zien dat voetrotatie en bekkenhoek samenhangen met het knee-abduction moment tijdens scherpe richtingsveranderingen.
Dit betekent niet dat een windsurf-carve biomechanisch gelijk is aan een voetbal-cut. De externe krachten en contactvoorwaarden zijn fundamenteel verschillend. Maar het algemene principe is relevant:
de knie kan niet los worden gezien van de rotatie van heup, bekken, voet en romp.
⸻
5. De knie als mogelijke zwakke schakel
De knie kan enige axiale rotatie toelaten, vooral wanneer hij gebogen is. Maar hij is geen kogelgewricht zoals de heup.
Problematisch kan een combinatie worden van:
knieflexie + valgus/varusbelasting + tibiale rotatie + hoge externe kracht.
Dat betekent niet dat elke zichtbare knievalgus gevaarlijk is. De moderne biomechanische literatuur laat juist zien dat simpele tweedimensionale verklaringen tekortschieten.
Het gaat om de combinatie van positie, snelheid, kracht, timing en neuromusculaire controle.
Cuttingonderzoek is hierbij interessant. Snelle richtingsveranderingen kunnen aanzienlijke knie-abductie- en rotatiemomenten produceren, waarbij romp- en bekkenpositie de belasting mede beïnvloeden. Ook onverwachte richtingsveranderingen veranderen de biomechanica: een recente systematische review vond onder andere veranderingen in heup-, knie- en rompmomenten wanneer cutting onverwacht moest worden uitgevoerd.
Dat heeft een duidelijke parallel met windsurfen.
Een carve vindt namelijk zelden plaats op een perfect voorspelbaar oppervlak.
⸻
6. Water maakt de carve onvoorspelbaar
Tijdens een slalomgybe kan het board plotseling chop raken.
Tijdens een bottom turn kan de rail door een steile sectie versnellen.
Tijdens wave riding kan de golf het board onder de surfer door laten roteren.
Bij freestyle kunnen boardrotatie en lichaamsrotatie zelfs bewust van elkaar worden losgekoppeld.
Daardoor ontstaat voortdurend een combinatie van geplande beweging en onverwachte perturbatie.
Juist bij onverwachte richtingsveranderingen neemt in andere sporten de biomechanische uitdaging voor romp, heup en knie toe.
De windsurfer moet daarom niet alleen rotatie kunnen produceren.
Hij moet rotatie kunnen absorberen, afremmen en onmiddellijk opnieuw organiseren.
⸻
7. Bekkenrotatie: de vergeten schakel
Een carve stopt anatomisch niet bij de heup.
Boven beide heupgewrichten bevindt zich het bekken, en daarop staat de romp.
Wanneer de surfer naar de binnenzijde van de bocht beweegt, ontstaan combinaties van bekkenrotatie, laterale bekkenkanteling en romprotatie.
Hierdoor kan de surfer het lichaamszwaartepunt verplaatsen terwijl de druk op het board behouden blijft.
Onderzoek naar cutting laat zien dat bekken- en romppositie relevant zijn voor de mechanische belasting van de knie. Lateral trunk positioning is bijvoorbeeld in verband gebracht met veranderingen in het knee-abduction moment.
Ook is in rotatiesporters een interessante relatie gevonden tussen beperkte of asymmetrische heuprotatie en lage-rugklachten. Sporters met lage-rugpijn bleken gemiddeld minder totale heuprotatie en meer asymmetrie tussen beide heupen te hebben.
Dat bewijst niet dat beperkte heuprotatie rugpijn veroorzaakt.
Maar het ondersteunt een belangrijk concept:
wanneer rotatie ergens in de kinetische keten beperkt is, kan beweging elders worden gezocht.
Voor een windsurfer zou dat bijvoorbeeld betekenen:
beperkte heuprotatie → meer bekkenrotatie → meer lumbale rotatie,
of:
beperkte heuprotatie → meer rotatie tussen femur en tibia.
Beide compensaties zijn biomechanisch voorstelbaar, maar moeten specifiek bij windsurfers nog worden onderzocht.
⸻
8. Wanneer wordt interne heuprotatie relevant?
Interne rotatie krijgt vaak een slechte naam omdat excessieve femorale interne rotatie onderdeel kan zijn van een dynamisch valguspatroon.
Maar interne rotatie is op zichzelf niet pathologisch.
Een windsurfer heeft interne rotatie nodig.
Tijdens krachtige carving manoeuvres moet het femur ten opzichte van het bekken kunnen roteren terwijl het lichaam over het board beweegt. Het probleem ontstaat eerder wanneer de noodzakelijke rotatie:
* onvoldoende beschikbaar is;
* abrupt tegen een eindstand komt;
* onvoldoende musculair wordt gecontroleerd;
* of gecombineerd wordt met hoge krachten en ongunstige knie- of bekkenposities.
Het doel is daarom niet om interne rotatie te vermijden.
Het doel is om voldoende beschikbare én gecontroleerde interne rotatie te hebben.
⸻
9. Externe rotatie is even belangrijk
Ook externe heuprotatie speelt een belangrijke rol.
De gluteus maximus, diepe externe rotatoren en delen van de gluteus medius dragen bij aan controle van het femur en het bekken.
Maar ook hier is “meer externe rotatiekracht” niet automatisch beter.
Een systematische review naar heupabductoren/externe rotatoren en dynamische knievalgus liet zien dat de relatie tussen eenvoudige krachtmetingen en daadwerkelijke dynamische kniebeweging niet eenduidig is.
Dat is belangrijk voor trainingsprogramma’s.
Een surfer die uitsluitend clamshells en elastiek-oefeningen doet, traint niet automatisch de complexe driedimensionale controle die tijdens een harde bottom turn nodig is.
Carving is geen geïsoleerde spieractie.
Het is een whole-body motor task.
⸻
10. Heupflexie verandert de beschikbare rotatie
Een belangrijk detail voor windsurfers is dat de heup tijdens een carve vaak duidelijk geflecteerd staat.
Daarmee verandert ook de beschikbare rotatieruimte.
Dit wordt klinisch relevant bij surfers met femoroacetabulair impingement syndrome (FAIS).
Een systematische review en meta-analyse liet zien dat mensen met FAIS gemiddeld minder heupinterne rotatie hebben. Bij 90° heupflexie bedroeg het verschil ten opzichte van gezonde controles ongeveer acht graden. Ook flexie, abductie, adductie en externe rotatie kunnen verminderd zijn.
Bij een windsurfer die diep door heup en knie zakt en tegelijkertijd roteert, kan dat relevant worden.
Met name de combinatie van:
flexie + adductie + interne rotatie
kan bij een symptomatische heup provocerend zijn.
Dat betekent nadrukkelijk niet dat iedere windsurfer met beperkte interne rotatie FAI heeft. Botmorfologische kenmerken kunnen ook bij asymptomatische sporters voorkomen.
Symptomen, klinisch onderzoek en functionele beperkingen moeten samen worden beoordeeld.
⸻
11. Wave: maximale driedimensionale vrijheid
Bij wave windsurfen is de beweging waarschijnlijk het meest driedimensionaal.
Een bottom turn vraagt tegelijkertijd om:
* raildruk;
* heup- en knieflexie;
* rotatie van bekken en romp;
* aanpassing aan de kromming van de golf;
* controle van tuigkracht;
* anticipatie op de top turn.
Bovendien verandert het wateroppervlak voortdurend.
Een goede wave sailor beweegt daarom niet als één rigide blok.
Voet, knie, heup, bekken, romp, schoudergordel en tuig kunnen tijdelijk verschillende rotaties uitvoeren.
Daarmee ontstaat als het ware segmentale dissociatie.
Juist daarvoor is voldoende heuprotatie belangrijk.
⸻
12. Freestyle: rotatie onder hoge snelheid
Bij freestyle wordt het vraagstuk extremer.
Veel manoeuvres bevatten snelle rotaties waarbij board en lichaam niet altijd synchroon bewegen. De voeten kunnen in de straps gefixeerd blijven terwijl het board onder het lichaam draait.
De uitdaging is daarom niet alleen grote bewegingsuitslag, maar vooral:
rotatiesnelheid + kracht + timing + distale fixatie.
Een kleine technische fout kan daardoor in zeer korte tijd een aanzienlijk torsiemoment veroorzaken.
Vanuit blessureperspectief is vooral de situatie relevant waarin het board onverwacht stopt of een andere rotatiesnelheid krijgt terwijl het lichaam doorgaat.
Dan kan de voetband van een nuttige verbinding plotseling veranderen in een mechanische constraint.
⸻
13. Slalom: minder spectaculaire maar zeer hoge belasting
Slalom ziet er soms biomechanisch minder extreem uit dan freestyle.
Maar dat kan misleidend zijn.
Een slalomgybe wordt uitgevoerd met:
* hoge snelheid;
* grote hydrodynamische krachten;
* forse railbelasting;
* sterke tuigkracht;
* vaak diepe heup- en knieflexie;
* en soms forse chop.
Daardoor kan een relatief kleine rotatiehoek toch gepaard gaan met een groot extern moment.
Biomechanisch geldt immers:
bewegingsuitslag en gewrichtsbelasting zijn niet hetzelfde.
Een kleine gecontroleerde beweging onder enorme kracht kan mechanisch zwaarder zijn dan een grote beweging zonder veel externe belasting.
Voor slalomwindsurfers is daarom niet alleen mobiliteit relevant, maar vooral het vermogen om rotatie onder hoge kracht te controleren.
⸻
14. Wat zegt de windsurfblessureliteratuur?
Hier ligt momenteel een belangrijk wetenschappelijk probleem.
De systematische review van Błażkiewicz en Grygorowicz uit 2025 vond uiteindelijk slechts zeven bruikbare studies naar blessures in windsurfen en verwante disciplines.
De onderste extremiteiten behoorden tot de meest aangedane anatomische regio’s.
Maar de kwaliteit van de beschikbare epidemiologie is beperkt. Blessuredefinities verschillen, veel onderzoek is retrospectief en betrouwbare prospectieve exposuredata ontbreken.
Nog belangrijker voor dit onderwerp:
we beschikken nauwelijks over onderzoek waarin tijdens echte windsurfmanoeuvres tegelijkertijd wordt gemeten:
* driedimensionale heupkinematica;
* tibiale rotatie;
* kniemomenten;
* bekkenrotatie;
* voetdruk;
* boardrotatie;
* voetbandkrachten;
* tuigkracht.
We weten dus biomechanisch veel minder over een harde windsurf-carve dan over bijvoorbeeld een voetbal-cut of hardlooplanding.
Dat moet worden meegewogen bij iedere stellige uitspraak over “de ideale heuphoek” tijdens windsurfen.
Die bestaat wetenschappelijk op dit moment niet.
⸻
15. Wanneer kan heuprotatie een probleem worden?
Voor de individuele windsurfer zijn enkele patronen klinisch interessant.
Pijn diep in de lies tijdens diepe carving
Dit kan passen bij intra-articulaire heupproblematiek, waaronder FAIS of labrumgerelateerde klachten, maar heeft meerdere mogelijke oorzaken.
Laterale heuppijn
Kan onder andere samenhangen met belasting van gluteale pezen en omliggende structuren.
Kniepijn tijdens of na harde carves
Hierbij moet niet uitsluitend naar de knie worden gekeken. Heupcontrole, femurrotatie, voetpositie en bekkenmechanica kunnen relevant zijn.
Rugpijn na veel carving
Beperkte of asymmetrische heuprotatie kan aanleiding zijn om te onderzoeken of relatief veel rotatie uit bekken en lumbale wervelkolom wordt gehaald.
Een duidelijk verschil tussen linksom en rechtsom carven
Dit is bijzonder interessant.
Het kan technisch zijn, maar ook samenhangen met verschillen in:
* heuprotatie;
* enkelmobiliteit;
* kracht;
* proprioceptie;
* eerdere blessures;
* stance;
* voetbandinstelling;
* voorkeurshouding.
Vooral bij wave windsurfers, die veel manoeuvres in beide richtingen uitvoeren, kan zo’n asymmetrie functioneel relevant worden.
⸻
16. Mobiliteit alleen is onvoldoende
Een veelgemaakte fout is om een beperkte carve onmiddellijk te vertalen naar:
“Je moet je heup meer stretchen.”
Dat is te eenvoudig.
Functionele rotatie bestaat uit minimaal drie componenten:
beschikbare ROM + kracht binnen die ROM + neuromusculaire controle onder belasting.
Een surfer kan op de behandelbank 40 graden interne rotatie hebben maar die beweging bij 35 knopen en hoge boardbelasting onvoldoende controleren.
Andersom kan iemand relatief beperkte passieve ROM hebben maar binnen zijn beschikbare bewegingsgebied uitstekend functioneren.
Daarom moet training niet alleen gericht zijn op mobiliteit.
⸻
17. Wat zou een windsurfer moeten trainen?
Voor wave-, freestyle- en slalomwindsurfers is een combinatie logischer.
1. Heuprotatiemobiliteit
Zowel interne als externe rotatie, bij verschillende graden van heupflexie.
2. Rotatiekracht
Niet alleen concentrisch kracht produceren, maar ook excentrisch rotatie kunnen afremmen.
3. Single-leg control
Veel carvingbelasting wordt asymmetrisch over beide benen verdeeld.
Single-leg squat-, hinge- en step-downvarianten kunnen nuttig zijn om femur- en bekkencontrole te trainen.
4. Bekken-romp dissociatie
De surfer moet het bekken kunnen roteren zonder dat de gehele romp verplicht als één blok meedraait.
5. Rotatie onder belasting
Cable rotations, split-stance rotaties en multiplanaire lunges komen functioneel dichter bij windsurfen dan uitsluitend geïsoleerde heupoefeningen.
6. Perturbatietraining
Omdat water onvoorspelbaar is, hoort uiteindelijk ook onverwachte verstoring in een sportspecifiek programma thuis.
Niet om circusachtige balanskunstjes uit te voeren, maar om het neuromusculaire systeem te leren de kinetische keten snel te reorganiseren.
⸻
18. Techniek kan belangrijker zijn dan pure kracht
Een sterke surfer kan nog steeds inefficiënt carven.
Onderzoek naar cutting laat zien dat verschillende whole-body strategieën tot verschillende kniemomenten kunnen leiden.
Pre-oriëntatie van romp en bekken, voetplaatsing en de positie van het lichaamszwaartepunt kunnen de verdeling van krachten veranderen.
Dat concept is waarschijnlijk zeer relevant voor windsurfen.
Een technisch goede carve verdeelt de rotatie over:
board + enkels + knieën + heupen + bekken + romp + tuig.
Bij een minder efficiënte carve kan een relatief groot deel van de beweging lokaal terechtkomen.
Het doel is daarom niet:
“houd je knie recht”
of:
“draai vanuit je heup”.
Het doel is een goed gecoördineerde driedimensionale beweging van de volledige kinetische keten.
⸻
19. De oudere lifelong windsurfer
Dit onderwerp wordt extra interessant bij de windsurfer die al tientallen jaren vaart.
Met het ouder worden kunnen bewegingsuitslag, spierkracht, peescapaciteit en snelheid van neuromusculaire correcties veranderen. Daarnaast kunnen artrotische veranderingen of heupmorfologie de beschikbare beweging beïnvloeden.
Een surfer kan technisch nog steeds zeer goed zijn, maar dezelfde diepe carvingpositie niet meer op exact dezelfde manier kunnen gebruiken als dertig jaar eerder.
Dat hoeft geen probleem te zijn.
Het zenuwstelsel kan andere bewegingsstrategieën ontwikkelen.
Maar wanneer heuprotatie duidelijk afneemt, kan het zinvol zijn te onderzoeken of de noodzakelijke rotatie niet steeds meer wordt verplaatst naar knie of lumbale wervelkolom.
Voor de lifelong windsurfer is daarom niet maximale mobiliteit het doel.
Voldoende bruikbare mobiliteit, kracht en controle voor de individuele vaarstijl is belangrijker.
⸻
Conclusie
Heuprotatie is een onderschat onderdeel van carving manoeuvres bij windsurfen.
Tijdens een bottom turn, freestyle carve of high-speed slalomgybe beweegt het lichaam niet uitsluitend in flexie en extensie. De manoeuvre vraagt een complexe driedimensionale interactie tussen voet, tibia, knie, femur, heup, bekken en romp.
Interne en externe heuprotatie maken het mogelijk om een deel van die rotatie op te nemen in een gewricht dat anatomisch voor multiplanaire beweging is gebouwd.
Wanneer die capaciteit onvoldoende beschikbaar of onvoldoende gecontroleerd is, is het biomechanisch aannemelijk dat andere delen van de keten meer beweging of belasting moeten opvangen. De knie en de lumbopelviene regio zijn daarbij mogelijke compensatiegebieden.
De voetband maakt dit nog relevanter. Hij verbetert de controle over het board, maar beperkt tegelijkertijd de vrijheid van de voet. Daardoor kunnen rotatiekrachten gemakkelijker naar proximaal worden doorgegeven.
Toch moeten we voorzichtig blijven met harde conclusies.
Er bestaat momenteel geen goed biomechanisch onderzoek dat tijdens echte wave-, freestyle- of slalomcarves rechtstreeks de driedimensionale belasting van heup, bekken en knie heeft gemeten.
Veel van onze huidige inzichten zijn daarom gebaseerd op anatomie, algemene biomechanica en extrapolatie uit cutting- en rotatiesporten.
En juist daarin ligt een interessante onderzoeksvraag voor het windsurfen:
Hoe worden rotatiekrachten tijdens een carve werkelijk verdeeld tussen board, voet, knie, heup, bekken en romp — en hoe veranderen snelheid, discipline, voetbandpositie en techniek die verdeling?
Dat is niet alleen relevant voor performance.
Het kan uiteindelijk ook helpen verklaren waarom de ene windsurfer jarenlang probleemloos agressief kan carven, terwijl een andere surfer klachten ontwikkelt aan lies, heup, knie of onderrug.
Literatuur
Błażkiewicz A, Grygorowicz M. What Do We Know About Windsurfing Injuries? Insights from Traditional Olympic Classes and Future Perspectives for iQFOiL – Systematic Review. Issues of Rehabilitation, Orthopaedics, Neurophysiology and Sport Promotion. 2025;51(2):15–27. doi:10.19271/IRONS-000226-2025-51.
Cashman GE. The effect of weak hip abductors or external rotators on knee valgus kinematics in healthy subjects: a systematic review. J Sport Rehabil. 2012;21(3):273–284. doi:10.1123/jsr.21.3.273.
Di Paolo S, Grassi A, Bragonzoni L, Zaffagnini S, Della Villa F. Foot rotation and pelvic angle correlate with knee abduction moment during 180° lateral cut in football players. Knee. 2023;43:81–88. doi:10.1016/j.knee.2023.05.008.
Donnelly CJ, Elliott BC, Doyle TLA, Finch CF, Dempsey AR, Lloyd DG. Changes in knee joint biomechanics following balance and technique training and a season of Australian football. Br J Sports Med. 2012;46(13):917–922.
Jones PA, Herrington LC, Graham-Smith P. Technique determinants of knee joint loads during cutting in female soccer players. Hum Mov Sci. 2015;42:203–211.
King MG, Lawrenson PR, Semciw AI, Middleton KJ, Crossley KM. Lower limb biomechanics in femoroacetabular impingement syndrome: a systematic review and meta-analysis. Br J Sports Med. 2018;52(9):566–580. doi:10.1136/bjsports-2017-097839.
Kristianslund E, Faul O, Bahr R, Myklebust G, Krosshaug T. Sidestep cutting technique and knee abduction loading: implications for ACL prevention exercises. Br J Sports Med. 2014;48(9):779–783. doi:10.1136/bjsports-2012-091370.
Marshall BM, Franklyn-Miller AD, King EA, Moran KA, Strike SC, Falvey ÉC. Biomechanical factors associated with time to complete a change of direction cutting maneuver. J Strength Cond Res. 2014;28(10):2845–2851.
Sahabuddin FNA, Jamaludin NI, Amir NH, Shaharudin S. The effects of hip- and ankle-focused exercise intervention on dynamic knee valgus: a systematic review. PeerJ. 2021;9:e11731. doi:10.7717/peerj.11731.
Scholtes SA, Gombatto SP, Van Dillen LR. Differences in lumbopelvic motion between people with and people without low back pain during two lower limb movement tests. Clin Biomech. 2009;24(1):7–12.
Sung W, Abraham M, Plastaras C, Silfies SP. Trunk motor control deficits in acute and subacute low back pain are associated with pain and fear of movement. J Orthop Sports Phys Ther. 2015;45(7):539–549.
Whittaker JL, Booysen N, de la Motte S, et al. Predicting sport and occupational lower extremity injury risk through movement quality screening: a systematic review. Br J Sports Med. 2017;51(7):580–585.
Willy RW, Davis IS. The effect of a hip-strengthening program on mechanics during running and during a single-leg squat. J Orthop Sports Phys Ther. 2011;41(9):625–632.
Zazulak BT, Hewett TE, Reeves NP, Goldberg B, Cholewicki J. Deficits in neuromuscular control of the trunk predict knee injury risk. Am J Sports Med. 2007;35(7):1123–1130.